Overwegingen om te weten over slotenmaker Begijnendijk

De weduwe aangaande die achtbaren magistraat, Anna met Hogenhouck, liet op dit koor met de Oude Kerk een ‘cierlijck uytgehouwen steenwerck’ boven bestaan graf posten.

Die appartement heette ‘Indt Witte Paert’ en  vlak tevens ‘Inde 3 Clockgens’ was een winkel aangaande Doe Romboutsz, lakenkoper. (Het de hedendaagse ‘marchants-tailleurs’ nauwelijks combinatie met bedrijf betreffende de nieuwere tijd vertegenwoordigen, bleek mij onlangs uit het oudste doopregister van de Waalse Kerk alhier waarin, op het jaar 1625 of daaromtrent, ons Fransman voorkomt die dat dubbel beroep uitoefent.)

Zijn devies was: Nervus Reipublicae diffidentia, ofwel: het wantrouwen kan zijn een zenuw met de Staat. Een variant aangaande dit beroemde: wees getrouw, doch vertrouw niemand, het menigeen, alang is hij slechts ons makkelijk burger, wanneer stelregel meent te moeten volgen. Met name nu ons overige zenuw, welke over een oorlog nl., betreffende ander woorden dit bedrag, meer dan heb je bestaan heerschappij doet gevoelen en het gouden kalf zoveel aanbidders telt. (Pieter betreffende der Meers konterfeitsel behoort tot de portretten van Delvenaars welke wijlen een heer Krabbe juiste archief van deze gemeente heeft geschonken.)

zou hij mogen onthalen 6 guldens weleens, zonder meer. Een neem een kijkje voor ons gezeten burger, welke geen biljet had met regenten, en waar hij geroepen werden "omme te visiteren wat sieckte die hadde, sonder het deze gebesicht (werden) omme denselven persone te cureren"

alsnog gebruikelijke meestoof, het desalniettemin verder nagenoeg tot de oude historie kan zijn gaan behoren. Ons dergelijke inrichting vind je in dit register voor geen enkel ander woonhuis vermeld.

Dit schijnt, het de slager ons welgesteld man was. Uitgezonderd ons woonhuis in de Vlouw met 2 haardsteden, bezat hij er nog drie op de Voldersgracht welke elk betreffende vier stookplaatsen waren voorzien.

In dit zesde huis, vanaf dit Weeshuis gerekend, woonde toen een grootvader betreffende de Delftse stedebeschrijver, die, eventjes indien die Dirck Evertsz met Bleyswijck heette, en in 1618 betreffende enig zijner collega's Veertigraden via Z. E. Prins Maurits met zijn ambt werd ontsla­gen. In 1625 werden hij desalniettemin weer in dit ambt hersteld.

Een der toenmalige schepenen, Jacob Adriaensz. Paeu, welke een brouwerij en woonhuis aan een Koornmarkt bezat, was tevens eigenaar aangaande een ‘zomerhuysken’ met één haardstede, behalve bovengemelde poort gelegen, daar waar hij zichzelf met een beslomme­ringen der criminele rechtspleging en over dit brouwersbedrijf kwam verpozen. De tijd met lusthoven en buitenplaatsen was nog niet begonnen.

Dit tegenwoordige gymnasiumgebouw, dat voorheen vijf haardsteden bevatte, had er in 1600 nog doch vier. [In 1890 zou dit Gymnasium een nieuw gebouw daarachter krijgen op de hoek aangaande een huidige Barbarasteeg en een Westvest. De steeg zelf kan zijn ons vrij recente creatie.]

Men scheen toen verdere dan thans van oordeel te wezen, dat de mens, wil deze niet gans en alang tot de dienst van dit loutere materialisme verzinken, wegens ‘de dingen, die des geestes zijn,’ begaanbaar blijven en niet ‘bij brood slechts’ leven moet.  

Uiteindelijk laat ik op deze plaats enig opschriften met gevelstenen en uithangborden volgen die met een huizen te vinden waren. Zij hadden de functie om iemands huis te kunnen aanduiden in een tijd waarin een deel over een bewoners nog niet kon bekijken.

Bestaan naaste naastwonende was mr. Cornelis Moius, welke ‘schoolmeester’ is genoemd. Blijkens een latijnse uitgang over zijn benaming, die op bestaan Hollands immers Mooy zal hebhen geklonken, gaat hij aan een Groote ofwel Latijnsche school aaneengehecht zijn geweest ingeval submonitor ofwel onderwijzer, die betrekking thans de titel met leraar, eerst docent, bezit verkregen.

Verder daar waren vele brouwerijen te vinden. Op een enige uitzondering na, werkten zij allen met twee ketels en een paar eesten, ook vanwege persoonlijk gebruik zodra wegens een dorstige stadgenoot, de talrijke biertappers en allen in en buiten een Republiek welke dit daar gebrouwen ‘oud Delfsch’, ‘Moselaer’, ‘Israël’ of ‘Pharao’ op verkoopprijs stelden. In het register vind ik [van een Drie Akerstraat tot het noorden lopend]

‘opten houck vande Theemsbrugge ande westzijde aangaande ’t marcktvelt’. Ons ‘teems’ was ons zeef. De brug ontving hoofdhaar benaming van dit hoekhuis, daar waar het werktuig in de gevelsteen zat. Zo kwam tevens de website Bijbelbrug, een momentje verder, aan hoofdhaar titel.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *